Spaanse Corona
‘Jennifer, met Lianne. Jij weet toch wat over paranormale dingen? … Het is zo raar, ik weet het ook niet zeker, maar ik denk dat er iets is in dit huis… Het lijkt wel of er dingen verplaatst worden.’
Lianne wist niet wanneer het begonnen was, ook niet precies sinds wanneer het nou echt begon op te vallen. Als je met z’n drieën in een appartement woonde, verplaatste iedereen wel eens wat en zelf legde ze ook wel eens iets gedachteloos ergens neer. Pas de laatste weken begon ze zich af te vragen of er toch niet iets meer aan de hand was. Sinds twee weken zat ze alleen, haar huisgenoten waren terug naar hun ouders gegaan, om daar de lockdown af te wachten. Toch bleven er dingen in huis verplaatsen, niet alleen de gewone dingen, zoals sleutels, of de boodschappentas, maar ook een beeldje op haar ladekastje, wat ze alleen elke week voorzichtig afstofte en in de keuken een pan, die ze al weken niet gebruikt had.
‘Nee, ik zie geen schimmen, tenminste, ik denk het niet… Gisteren dacht ik ineens dat ik iemand in de keuken zag, maar toen ik goed keek, was er natuurlijk niemand … Weet jij wat ik moet doen? Ben ik gek aan het worden? … Nee, dat heb ik niet … Nee, wel witte … Oké, dan probeer ik dat.’
Toen ze er zekerder van werd dat er dingen gebeurden in huis die Lianne zelf niet deed, had ze Jennifer gebeld. Zij kon nu natuurlijk niet langskomen, maar ze gaf wel advies. Als het inderdaad om een geestverschijning ging, was er niks om bang voor te zijn. Ze kon witte salie branden om het huis te reinigen, maar dat had ze niet. Zilveren of witte kaarsen konden helpen om contact te krijgen met de geest. Als ze dat wou natuurlijk …
Twee dagen lang liep ze te twijfelen, tot ze midden in de nacht ineens wakker schrok van een enorme klap. Ze bleef een poosje bibberend liggen. Toen ze ging kijken, bleek de stofzuiger van de plank in de keuken gevallen te zijn. Die kunnen we wel afschrijven. Ze ging terug naar haar kamer en pakte de witte kaarsen uit haar la.
‘Nou geest, wie je ook bent, laat maar eens wat van je horen.’ Ze stak de kaarsen aan en zette ze in een cirkel neer. Zeker een uur zat ze, op de grond met haar rug tegen haar bedbank, te wachten tot er iets gebeurde. Ze werd weer slaperig.
***
Ik ging de voordeur binnen en de trap op naar ons huis. Ik droeg een mand aan mijn arm en tilde met mijn andere hand mijn lange rokken een stukje op, zodat ik er niet over zou struikelen.
‘De broodrantsoenen zijn weer kleiner geworden, moeder. Ik heb wel ons vleesrantsoen voor deze week kunnen krijgen.’ Ik zette mijn hoed af en samen met mijn moeder pakte ik de mand uit. Mijn drie jongere broertjes en een zusje liepen ons voor de voeten. Moeder zette een pan op de kachel, zodat we soep konden koken en ik begon de aardappels te schillen.
‘Heb je nog nieuwtjes gehoord?’
‘Ze zeggen dat Jannie, jeweetwel, van Geert, de Spaanse griep heeft.’
‘Da’s niet zo best. Maar iedereen zegt dat het wel meevalt, dus het zal mijn tijd wel duren. En de oorlog?’
‘Niets nieuws. Ik hoop, dat het gauw voorbij is en vader weer thuiskomt.’
Moeder deed het kleine stukje vlees in de pan, zodat het kon trekken. Als we soep maakten, deden we lekker lang met het vlees.
***
Lianne werd wakker, nog steeds op de grond. Haar rug zat in een onaangename kronkel en ze had het koud. Wat had ze raar gedroomd! Ze was een meisje geweest in de tijd van de Spaanse griep. Maar wel hier, in dít huis! Ze liep naar de voorkamer, de kamer van Sandy. Gelukkig waren de kamers van haar huisgenoten niet op slot. Dit was de woonkamer geweest. Daar, bij de schoorsteenmantel, had de kachel gestaan waarop ze met haar moeder soep kookte.
Ze pakte haar laptop en begon dingen op te zoeken. De Spaanse griep was een gigantische pandemie geweest, ongeveer een eeuw geleden, tijdens de eerste wereldoorlog. Ja, dat klopte. In haar droom had ze ook over de oorlog gepraat. En nu was er weer een pandemie. Haar appartement was lastiger te vinden, tot ze ineens op Wikipedia een artikel vond over de Berlageblokken. Dit waren arbeiderswoningen geweest, rond die tijd net nieuw.
Ze werd er een beetje zenuwachtig van. De droom was zo echt geweest, dat het niet zomaar een droom leek. Het had niks van de vreemde elementen die een droom normaal had. Maar ze was thuis altijd verteld dat geesten zien een teken van waanzin was. Pas toen ze ging studeren en nieuwe mensen leerde kennen, ging ze meer openstaan voor het mystieke, maar haar opvoeding verloochende zich niet. Ze was nog steeds bang dat dit waanzin was.
‘Jennifer? Ja, met mij. Ik heb gisteravond witte kaarsen gebrand. Ik heb toch zo raar gedroomd! Het was net of ik in dit huis woonde, maar het was oorlog en ik praatte over de Spaanse griep … Ja, de huizen bestonden toen al, dat heb ik opgezocht. Waar nu de keuken is, was toen een slaapkamer en de douche heette toen “spoelhok.’ … Ik heb nieuwe kaarsen gekocht. Ik vind het eng, maar ook fascinerend. Ik ben toch niet gek? … Ja, jij ook, hou je haaks!’
Ze at een bordje witte bonensoep, door de droom had ze zelf ook trek in soep gekregen. Ze waste haar spullen af en plaatste de kaarsen rond haar bedbank. Vanavond zou ze op bed blijven zitten, dan werd ze niet zo geradbraakt wakker. Ze voelde zich niet erg lekker.
***
‘Moeder, ik voel me helemaal niet goed.’
‘Ik ben zelf ook niet erg lekker, kind, maar een van ons moet vandaag naar de gaarkeuken gaan.’
‘Kan Elsje deze keer niet gaan?’
‘Els is echt nog te klein, Lieke. Een van ons moet thuisblijven, nu de jongens alle drie ziek zijn. En we moeten ook eten.’ Moeders stem klonk verdrietig.
Ik knikte, normaal gesproken zou ik Elsje ook niet sturen, maar ik voelde me echt akelig. Ik pakte een pan, zette mijn hoed om en deed een jasje aan. Ondanks dat het zomer was, was ik zo rillerig. Uit de slaapkamer riep een van mijn broertjes om moeder, ik kon niet eens horen wie het was. Struikelend liep ik de trap af.
***
Lianne schrok op. Had ze geslapen? Vast wel, ze droomde weer over dat meisje. Lieke, heette ze. Haar naam leek op die van haar! Alle kaarsen brandden nog, ze had van die grote gehaald, die stonden ook lekker stevig. Ze ging liggen en trok de dekens stevig om zich heen, zij voelde zich ook rillerig. Als Lieke een geest was, kon ze haar vast ook wel zien als ze lag.
***
Ik lag in bed en had het warm en koud tegelijk.
‘Lieke, mag ik een beetje drinken?’ Elsje lag naast me en voelde vreselijk warm aan. Haar stemmetje klonk zwakjes. Ik voelde me veel te ziek om op te staan, maar ik was de oudste en moeder was ook vreselijk ziek. Gisteren waren Guus en Pieter gestorven, nog geen uur na elkaar. Vaag voelde ik verdriet, maar ik was te ziek om het echt tot me door te laten dringen. Ik strompelde naar het spoelhok, met een kroesje in mijn hand. Op het portaal kreeg ik een vreselijke hoestbui. Toen ik met een slip van mijn nachtjapon mijn neus en mond afveegde, schrok ik. Er zat bloed op, veel bloed. Toen ik terugliep, het volle kroesje met moeite recht houdend, hoorde ik moeder ook roepen. Ik bracht Els haar water en wankelde naar moeder toe. Job, mijn jongste broertje lag in haar bed. In een oogopslag zag ik dat hij niet meer leefde. Zijn lakens zaten vol bloed en zijn gezichtje was blauw. Moeder zelf zat op de rand van het bed, ook al met bloed rond haar mond.
‘Lieke, wil jij buurvrouw Mien gaan waarschuwen, van hier beneden? Zij moet de dokter maar gaan halen. Ik krijg het niet voor elkaar, kind.’ Ik knikte, deed mijn omslagdoek om over mijn nachtjapon en wankelde richting de trap. Halverwege de trap kreeg ik weer een ontzettende hoestbui, ik stond te happen naar adem en ineens kwam er een hele golf bloed uit mijn mond. Ik werd duizelig en licht in mijn hoofd en merkte dat ik begon te vallen …
***
De kaarsen waren opgebrand en zonlicht viel de kamer binnen. Op het nachtkastje lag haar telefoon als een boos insect te zoemen.
‘Lianne, verdomme, neem die telefoon op!’ mompelde Jennifer, nadat ze voor de zoveelste keer de voicemail kreeg. Ze bleef het die dag proberen en werd steeds ongeruster. De volgende dag kreeg ze nog steeds geen gehoor, dus was ze naar het huis van haar vriendin gefietst. Best een eind, maar nu waarschijnlijk gezonder dan de tram. Wel een kwartier stond ze aan te bellen, toen ineens de deur opensprong. Ze rende naar boven. In de deuropening stond Lianne.
‘Jen. Niet dichterbij komen. Ik ben ziek. Ik heb het zo benauwd, straks is het Corona!’
‘Kruip gauw weer in je bed! Ik ga een dokter voor je halen. Laat die voordeur maar op een kiertje staan.’
‘Jen … die Lieke … ze ging dood. Ze gingen allemaal dood aan de Spaanse griep!’
‘Maar Corona is geen Spaanse griep en jij blijft leven!’
Een uur later stond er een ambulance voor de deur en werd Lianne op een brancard naar buiten gedragen.
‘Ik ben dus niet gek, ik heb gewoon koorts,’ zei ze tegen Jennifer, die was blijven wachten.
Jennifer knikte, maar zij zag de vage verschijning in het trappenhuis, die een paar treden afliep en daarna instortte.
‘Nou Lianne,’ mompelde ze, ‘als jij gek bent, dan ben ik het ook. En ik heb geen koorts.’
