Tijdloos

Tijdloos

 

Er was eens, lang geleden, in een land hier ver vandaan een prinses die alles had. Ze had een mooi kroontje en een prachtige kamer. Ze had alle spullen die een meisje zou willen hebben. Maar ze was een dromerig meisje, ze had niet altijd zin om te leren, of op tijd te zijn. Ze wou naar buiten kijken, een beetje dromen. Maar er was nooit tijd.

Op een mooie zomerdag was de prinses, Friederieke, jarig. De koning en koningin hadden een schitterend feest georganiseerd, met veel taart en cadeautjes. Het bijzonderste cadeautje was een koperen vaasje, dat ze van haar peettante kreeg.

’s Avonds, toen ze allang moest slapen, zat ze in haar kamer alles te bekijken. Ze pakte het vaasje. Het was mooi, zoals het glansde in het maanlicht. Ze zag wat vlekjes, pakte haar washandje en begon te poetsen. Ineens was er een lichtflits en een harde knal! Ze schrok ontzettend en liet het vaasje vallen. Snel keek ze naar de deur, maar pappa en mamma hadden blijkbaar niets gehoord, niemand kwam binnen. Ze keek naar de grond, waar het vaasje op het zachte bedkleedje lag. Naast het vaasje stond een piepklein mannetje, met een puntmutsje op.

“Wie b-b-ben jij?” stotterde ze.

“Wablief?”

“Wie ben jij?!” schreeuwde ze. Nog steeds hoorde niemand haar, gelukkig.

“Je hoeft niet zo te schreeuwen, ik ben niet doof! Ik ben de dwerg uit de vaas. Ik kom drie wensen vervullen, maar je moet duidelijk praten. En niet allemaal tegelijk, elke dag één. Wat is de eerste wens?”

“Daar moet ik een nachtje over slapen,” zei ze. Wensen waren belangrijk, daar moest goed over nagedacht worden, vond ze.

 

Friederieke had lang wakker gelegen en gepiekerd over haar wens. Toen ze wakker werd dacht ze eerst dat ze alles gedroomd had, maar op haar nachtkastje lag het vaasje op zijn kant en daarin lag de dwerg te slapen. Toen hij ook wakker werd en vroeg of ze het al wist, zei ze meteen: “Ik wil alle tijd van de wereld.”

“Wablief”

“Alle tijd van de wereld!”
“Alles altijd onvervuld? Nee, zo werkt het niet met wensen, die blijven niet onvervuld, zelfs niet als je het wenst. Morgen mag je het weer proberen. Dan mag je nog een nachtje erover slapen.”

Friederieke stampvoette. “Dat zei ik niet, ik zei: ‘alle tijd van de wereld!’”

“Nee,” zei de dwerg vastberaden, “morgen weer.” En hij kroop in zijn vaas.

Teleurgesteld ging ze ontbijten. Nou had ze weer geen tijd om eens buiten in het gras te liggen dromen.

En inderdaad, de hele dag moest ze dingen: op tijd aan tafel komen, op tijd naar de klas. Toen ze ’s avonds in bed kroop, dacht ze morgenochtend moet ik tegen hem schreeuwen, misschien hoort hij me dan.

Zodra ze wakker werd, pakte ze een poetsdoekje en begon het vaasje te poetsen. Meteen verscheen de dwerg. “Goedemorgen, Friederieke!”

“Goedemorgen, dwerg”

“Heb je een nieuwe wens vandaag?”

“Ja, maar je moet goed luisteren,” zei ze duidelijk.

“Ik hoef helemaal niet te huiveren.”

Prinses Friederieke zuchtte. Ze haalde diep adem en schreeuwde zo hard ze kon: “Ik wil alle tijd van de wereld!!”

“Alle tijm van de wereld? Wat bijzonder, ga je leren koken?”

Prinses Friederieke slaakte een diepe zucht.

“Kijk maar uit het raam, alle tijm van de wereld.”

Ze liep naar het raam en keek naar buiten. De kruidentuin was groter geworden en inderdaad: daar stonden ontelbare struikjes tijm, allerlei soorten. Ze moest huilen, dit was niet wat ze wou. Zonder gedag te zeggen, liep ze weg.

De dwerg keek verbaasd. Waarom is ze nou niet blij met haar tijm?

Zelfs in het weekend moest ze steeds op tijd zijn, aan tafel en bij paardrijden. En met haar ouders op bezoek bij een meneer die honderd werd. Die meneer was een beetje doof, dus had hij een soort toeter, die hij in zijn oor stak. Als je daarin praatte, kon hij je beter verstaan. Dát was een goed idee! Zij moest ook zo’n toeter hebben voor haar dwerg, maar dan een kleintje. Weer thuis zocht ze overal naar zo’n toeter. In de keuken vond ze de beste oplossing: een kleine trechter. Ze nam ‘m mee naar boven, en ook een potje koperpoets.

Ze had weinig geslapen van opwinding, maar werd vroeg wakker.

Ze poetste het vaasje prachtig op en toen de dwerg eruit kwam, zei ze hem vrolijk gedag. Ze pakte de trechter en deed voor hoe hij hem moest gebruiken.

De dwerg begreep meteen wat ze bedoelde en hield de trechter bij zijn oor. In de trechter riep Friederieke hard: “IK WIL ALLE TIJD VAN DE WERELD!”

“Oh, alle tijd van de wereld! Had dat dan direct gezegd.” Meteen verdween het wekkertje uit haar slaapkamer, zodra ze naar buiten keek, zag ze dat de torenklok ook weg was.

Niemand was op tijd aan het ontbijt die dag, en langzamerhand werd het duidelijk dat in het hele land alle klokken verdwenen waren.
Omdat er geen klokken meer waren, en niemand nieuwe wilde maken, kon niemand meer op tijd of te laat zijn. Friederieke hield een heleboel tijd over om te lezen, of te dagdromen.

Omdat niemand meer op de klok kon kijken, hield iedereen ineens tijd over. Tijd om leuke dingen te doen, om te dromen, of om hun dromen na te jagen. Eerst was er verwarring: het leven werd rommeliger, en afspraken maken een stuk moeilijker, maar uiteindelijk waren de mensen veel gelukkiger.

De tijm lieten ze staan, die was lekker in de soep.