Net als lezen, leerde ik ook al jong schrijven. Ik zat op de kleuterschool toen ik aan mijn eerste verhaaltje begon.
“Er was eens een meisje en dat heette Lisa. En ze had 6 eieren.
Op een dag kwam er een kip.”
Die zes was diverse malen doorgestreept en opnieuw geschreven, want ik wist maar niet zeker aan welke kant de buik moest. Hoe het afliep weet ik helaas niet meer. Iedereen was er zo enthousiast over dat ik een verhaal schreef, en hoe knap dat wel niet was, dat ik compleet dichtklapte. Ik heb nog jaren geweten hoe het verder moest gaan, maar helaas is dat uit mijn geheugen verdwenen.
Op de middelbare school haalde ik hoge cijfers voor alle opstelopdrachten. Ik kreeg het zelfs wel eens als strafwerk. Deden ze dat omdat ze mijn schrijfsels leuk vonden, of omdat ze wisten dat ik er geen hekel aan had? Het eindexamen opstel was 10 kantjes lang en kreeg een 9,5. Tien kantjes, met de hand geschreven, in drie uur! Ik doe het mezelf nu niet meer na. Nou doe ik nu voor mijn verhalen ook heel wat gedegener research dan in die tijd. Ik ben nogal een perfectionist en dingen moeten wel kloppen. Ik kreeg ooit feedback na een schrijfwedstrijd dat wat ik schreef helemaal niet kón op een boot. Had ik daarvoor uren gezocht naar een boot waarop het wel kon?
Op de PABO schreef ik kinderverhaaltjes. Ik had toen wel ideeën om daar ooit meer mee te gaan doen, maar had er nooit tijd voor.
Rond 2010 begon ik met het schrijven van een thriller. Hoe het begon wist ik precies, en ook het hele politieteam had ik aardig in mijn hoofd. Ik was in die tijd een absolute pantser, en verwachtte dat de dader wel op zou duiken naarmate ik meer schreef. Dat deed hij niet. (Die daders van tegenwoordig zijn ook al niet te vertrouwen…)
Het was jaren later dat ik Mike Jansen leerde kennen. Hij vroeg me of ik als veel-lezer zin had om te helpen jureren bij een schrijfwedstrijd: EdgeZero. Dat wilde ik wel!
Toen de juryrondes voorbij waren, vroeg hij me of ik ook wilde helpen de rode pen te hanteren. Als voormalig juf kon ik vast ook wel redigeren. Dat ging inderdaad best.
En zo rolde ik het wereldje van de Nederlandse speculatieve fictie in. Hevig aangemoedigd door Mike, begon ik mee te doen aan wedstrijden. Bij de allereerste wedstrijd, kwam ik nog op de longlist ook. En zo zaten we in maart 2020 op de Godijn fantasy/sci-fi/horror dag (nu Walkure) in Arnhem. Ik werd 48e, maar dat mocht de pret niet drukken, want die dag won Mike de trofee! Op de hype van die dag, van dat moment, zijn we heel 2020 doorgegaan met schrijven. Onderweg terug in de auto, vertelde ik dat ik een idee had om te schrijven over een pandemie, voor de Waterloper wedstrijd. Dat blijft een onwerkelijk moment om aan terug te denken, want op dat moment was er wereldwijd beslist nog geen sprake van een pandemie. Dat was heel anders toen ik het verhaal schreef en opstuurde…
Tijdens het brainstormen voor Waterloper, dook in mijn hoofd ineens de dader op voor die thriller waaraan ik ooit begonnen was. Dat was helemaal geen sterfelijke man! En toen had ik ook meteen een pracht-idee voor een tweede verhaal in die setting. Helaas had ik stevig in mijn hoofd dat het reeds begonnen verhaal ook het eerste moest worden, dus heb ik eerst het tweede verhaal in de serie geschreven. Dat doe ik nooit meer! Nummers en kalenders zijn op zichzelf al ingewikkeld genoeg, ik ga geen verhalen meer schrijven in a-chronologische volgorde! (Sprak zij vastberaden, en deed het prompt voor Vreemde Steden, Bijzondere Oorden weer…)
In het eerste jaar dat ik weer schreef, verscheen er al een verhaal van mij in een bundel. Judith, in de Godijn middeleeuwenbundel Et in Ventum.
Dat was natuurlijk een geweldige aanmoediging om door te gaan. Ik bleef jureren en redigeren voor EdgeZero en daar leerde ik heel veel van. Ook van de feedback van mijn schrijfmaatjes Mike en Finn Audenaert leer ik nog steeds bij. Blijkbaar reflecteert zich dat in mijn werk, want er worden meer en meer verhalen van mijn hand gepubliceerd. Ik ben nog steeds trots als een pauw.